Op onze school steken deskundigen veel tijd in elk kind. Om na te gaan wat het resultaat is van de begeleiding en ondersteuning die het kind krijgt, werken we met een leerlingvolgsysteem. Dit systeem levert een dossier op waarin naast de uitwerking van het handelingsplan ook de leerresultaten bijgehouden worden. De leerresultaten worden getest met de bekende CITO-toetsen die ook op gewone basisscholen worden gebruikt. Daarnaast gebruiken we verschillende logopedische toetsen. De resultaten worden regelmatig geëvalueerd en zonodig worden de plannen bijgesteld of wordt er extra hulp ingeroepen. Eén keer per jaar wordt elk kind uitvoerig besproken door een multidisciplinair team. Iedereen die betrokken is bij de begeleiding van het kind komt daarin aan het woord.

Op het moment dat een kind wordt toegelaten tot onze school, ligt er al een flink dossier. Het zijn de rapporten die de Commissie voor Indicatiestelling heeft bestudeerd. De CvI stuurt het dossier naar de Commissie voor Begeleiding (CvB). Dat is een commissie binnen school waarin een logopedist, de orthopedagoog, de maatschappelijk werkster, de schoolarts en soms ook de audioloog de leerlingen bespreken. De CvB geeft advies over het handelingsplan dat voor elke leerling wordt gemaakt. In het handelingsplan, dat als een overeenkomst door de leerkracht en de ouders wordt ondertekend, staat beschreven op welke manier de extra zorg die de Professor van Gilseschool kan bieden, wordt ingezet. De CvB is ook verantwoordelijk voor de tweejaarlijkse rapportage naar de CvI.

Alle leerlingen worden begeleid door een logopedist. Elke groep heeft een vaste logopedist
die intensief samenwerkt met de leerkracht. Daarnaast krijgen veel leerlingen individuele therapie. Doordat de logopedist de kinderen vrijwel dagelijks ziet en ze door en door kent, is de therapie zoals die op school wordt gegeven veel effectiever dan een wekelijks bezoek aan een ‘gewone’ logopedist. Het grote voordeel is ook, dat de therapie in de klas door de leerkracht en de klassenassistent wordt ondersteund. De therapie is afhankelijk van de ‘zorgvraag’ van het kind en kan uiteenlopen van het oefenen van de mondmotoriek tot het uitbreiden van de woordenschat of het oefenen met sociale taalregels zoals groeten, luisteren of een gesprek voeren.
Veel van onze leerlingen hebben baat bij fysiotherapie. In de klas, bij het buitenspelen en in
de gymles wordt al veel aandacht besteed aan de motorische ontwikkeling, maar voor sommige kinderen is dat niet genoeg. Er is dan bijvoorbeeld sprake van een ernstige motorische achterstand, problemen met sensorische integratie of ernstige schrijfproblemen als gevolg van een zwak ontwikkelde fijne motoriek. Onze school heeft een vaste, geregistreerde kinderfysiotherapeut die kinderen individueel behandelt. Omdat niet in alle gevallen de kinderen in aanmerking kunnen komen voor fysiotherapie op onze school wordt in bepaalde gevallen door ouders ook gebruik gemaakt van fysiotherapie in de eigen woonomgeving (via ziektekostenverzekeraar).
Voor de kinderen op onze school fungeert de school als audiologisch centrum. Een logopedist/akoepedist neemt gehoortesten af en controleert hoortoestellen. Een-of tweemaal per jaar wordt bij alle kinderen het gehoor gemeten. Dankzij ons audiologisch centrum kunnen we op school, onder supervisie van de audioloog, zelf hoortoestellen aanmeten.
Eens per maand komt de KNO-arts op school. Kinderen met oorproblemen kunnen op verzoek van de ouders of de leerkracht door de KNO-arts worden onderzocht. Als er problemen
zijn, verwijst de KNO-arts door naar de eigen huisarts of specialist.
De leerkrachten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van de kinderen, maar zij staan daarin beslist niet alleen. Ze worden ondersteund door intern begeleiders (IB-ers) die het onderwijs en de zorg coördineren en begeleiden. De IB-ers helpen de leerkrachten bij het opstellen van de handelingsplannen van de leerlingen. Het is ook hun taak om ontwikkelingen op onderwijskundig gebied bij te houden, zodat zij een echte vraagbaak zijn voor de leerkrachten die zij ondersteunen.
De school heeft een maatschappelijk werkster die kennismakingsgesprekken voert met ouders van nieuwe leerlingen en die desgewenst hulp biedt bij problemen met het kind thuis.
Onze orthopedagoog komt in actie op verzoek van de school of de ouders. Zij onderzoekt en test de kinderen en adviseert daarna over een eventuele behandeling. De ouders worden vantevoren geïnformeerd over het onderzoek. De orthopedagoog maakt ook een rapport in het kader van de tweejaarlijkse herindicatie.
De schoolarts is regelmatig op school aanwezig om de kinderen te onderzoeken. Alle kinderen worden eens in de twee of drie jaar onderzocht. Ook nieuwe leerlingen en schoolverlaters krijgen een medisch onderzoek. Er wordt onder andere getest op kleurenblindheid, gezichtsvermogen, houding en motoriek.